Eendenhouderijen in Nederland

Geschiedenis

Zo werden de bedrijven genoemd die al in de vorige eeuw een belangrijke bedrijfstak in ons land vormde en die onlosmakelijk verbonden is met de Veluwe.
Maar laten wij bij het begin van de eendenhouderij beginnen en dan komen we uit in China, waar al ver voor onze jaartelling eenden werden gefokt.
Ook in het oude Egypte en later bij de Romeinen werden eenden in gevangenschap gehouden.
Pas in de loop van de vorige eeuw kwam er in Noord-Holland wat van de grond dat iets van een eendenhouderij weg had.
Op veel boerderijen in het polderland werden, net als kippen elders in het land, koppels van zo’n vijftien tot twintig eenden gehouden die zelf naar hun voedsel moesten zoeken.
Metname de Noord-Hollandse Witborsteend, ook wel Spreeuwkopeend genoemd, en de Noord-Hollandse Krombekeend scharrelden overdag in de vele sloten rond en keerden ’s avonds, aangelokt met wat graan, naar hun nachthokken terug om daar hun eieren te leggen.
’s Morgens werden ze dan weer losgelaten.
Verder werden ze gebruikt bij de jacht en in eendenkooien om wilde eenden te lokken.


Noord-Hollandse Witborsteend

In ons land begint het verhaal van de bedrijfsmatige eendenhouderij in Volendam  en Edam.
Het houden van eenden bleek een prima bijverdienste voor de visser.
De houtzagerijen in de Zaanstreek leverde veel afvalhout op en aan bijna iedere sloot werd er wel een eendenhok gebouwd.
Voer was in die tijd ook al geen probleem er was immers voldoende visafval aanwezig.
Zoeven hadden we het al over de Veluwe, waar eendenhouderijen een “booming business” zouden worden en zelfs velen de visserij deden verlaten.

De Eend
De tamme eend stamt af van de wilde eend (Anas platyrhynchos), die zijn verspreidingsgebied heeft in Europa, Noord-Afrika, Azië en Noord- Amerika. De eend werd ongeveer 3.000 jaar geleden voor het eerst gedomesticeerd, waarschijnlijk in China. Men neemt aan dat in Azië de domesticatie op meerdere plaatsen is begonnen en dat de tamme eend van daaruit in Europa is terechtgekomen. De dieren werden gehouden voor het vlees en de eieren, maar in Europa ook ingezet als lokkers voor de jacht op wilde eenden. Nederland maakte ten tijde van Karel de Grote, omstreeks het jaar 770, voor het eerst kennis met de eend als huisdier.
Bij wilde eenden zijn de vrouwtjes onopvallend bruin getekend, terwijl de woerden zich tooien met glanzend groen. Tamme eenden kruisen gemakkelijk met wilde eenden, waardoor het voor fokkers altijd moeilijk is geweest de rassen zuiver te houden. Ook nu komen in ons land veel wilde en verwilderde eenden voor met nog duidelijk zichtbare invloeden van tamme eenden en andersom.

Vanaf de 14e eeuw zijn in ons land eendenkooien bekend waar wilde eenden
gevangen werden. Dit gebeurde door gebruik te maken van halfwilde lokeenden of het 'kwakertje'. Aanvankelijk werden de eenden gehouden voor de slacht.
Na oprichting van de Verenigde Oost-Indische Compagnie werden eenden voor de productie van eieren uit de Aziatische landen meegebracht.
In Noord-Holland ontstond de 'Spreeuwkop of Witborsteend'. Het waren sobere dieren die veelal zelf  hun voedsel bijeen moesten zoeken.
Soms werden ze op een wat grootschaliger wijze gehouden.
Na 1900 werden de oude eendenrassen vervangen door de Pekingeenden als slachteenden en de Khaki Campbell als legeenden.
Rond 1940 waren er zo'n 750.000 legeenden in Nederland.
Momenteel zijn er nog bijna 100 bedrijven die eenden mesten.

   Hollandse Kwaker

Indische loopeend
Maar weer even terug naar de eendenhouderij. Net als in Volendam begon men op de Veluwe ook met de Noord-Hollandse Witborsten en Krombekken. Maar al snel ontdekten zij ook daar de Indische loopeend. Een uit Indonesië afkomstige soort die gehoed in de afgeoogste rijstvelden hun eigen kostje bij elkaar moesten scharrelen. Historicus Baladamus omschreef het ras als volgt:
“Als er eenden soort spoedig ene wereldvermaardheid verkregen heeft, dan is het toch zeker de Indische loopeend. Het is de kleinste nuts eend en zeker een van de vruchtbaarste, 180 eieren per jaar is geen uitzondering. In het loopen zijn ze bijzonder ervaren, vandaar dat men ze loopeenden noemt. Het is een besten tafelvogel, daar het vleesch zee fijn is.”


Tekening Indische loopeend

Deze typisch gebouwde eend wist al snel een ongelofelijke eierproductie van zo’n tweehonderd eieren per jaar te bereiken.
Ter vergelijking legkippen legden in die tijd, als het mee zat, een kleine honderd eieren. De Harderwijkers hadden het fokken met deze voor Nederland nieuwe eendensoort dan ook snel onder de knie, Aalt Jansen had in 1928 zelfs al een eend gefokt die 240 eieren wist te leggen.
Deze Indische loopeend is er de oorzaak van dat er in Nederland een bloeiende bedrijfstak is ontstaan, met het gebruik van broedmachines, grote eendenstallen en veel personeel.
Deze bloeiende bedrijfstak werd uiteindelijk door een drietal zaken bedreigd wat de export tot een minimum terug heeft gebracht. Het buitenland stelde steeds grotere eisen aan de kwaliteit van de eendeneieren.

Omdat de bedrijven rondom het IJsselmeer hun dieren met visafval voerden en daar door zowel de eieren als alle producten waarin eendeneieren werden verwerkt te veel naar vis smaakten moest deze goedkope manier van voeren worden beëindigd, met als gevolg een sterke terugval van export.
Een tweede slag die de eendenhouderijen zwaar trof was de uitbraak van paratyfus.
Een overheidsbesluit regelde per wet dat eendeneieren voortaan minimaal 12 minuten moesten worden gekookt, waardoor de export nog verder terugviel.
De paratyfus is overigens altijd als een zwaard van Damocles boven de bedrijfstak blijven hangen. Maar de grootste klap voor de branche kwam vanuit Engeland.
Met de komst van de Indische loopeend was daar aan het einde van de 19e eeuw de eendenhouderij sterk opgekomen.
Overigens gaat het momenteel in Nederland ook niet goed met de Indische loopeend.
Fokkers en keurmeesters zijn daar debet aan, de eenden zijn totaal overfokt en zo lang geworden dat ze nauwelijks nog hun evenwicht kunnen houden en hun eierproductie is daarmee ook verloren gegaan.


Indische loopeenden

Beroemde rassen

Zoeven werd de opkomst van de eendenhouderijen in Engeland aangehaald als het grootste dreigement voor de bedrijfstak in ons land. Door de Indische loopeend te kruisen met verschillende eendenrassen die men daar kende ontstonden er beroemde rassen zoals de Buff Orpington, de Welsh Harlequin, de Abacot Ranger, bij ons Streicher eend genoemd, de Magpie, oftewel Ekster eend en The Large Appleyard Duck. Al deze rassen waren tot de Tweede Wereldoorlog waren de bron van de vlees- en eierproductie in Engeland. Ze worden tot op de dag van vandaag nog steeds gefokt en zijn op de meeste tentoonstellingen te bewonderen, ze zijn zelfs tot een cultuurgoed geworden dat in Engeland op vele landgoederen en boerderijen voortleeft. Maar één eend zou al deze beroemde eendensoorten in de schaduw stellen, de Khaki Campbelleend.


Khaki Campbell eend

Khaki Campbell eend Woerd

Khaki Campbell eend

Deze sterke eend werd door mevrouw A. Campbell uit het Engelse graafschap Gloucestershire gefokt. Zij fokte deze eend uit een aantal eenden waaronder de witte Indische loopeend en de Rouaan eend. In het begin van de jaren twintig van de vorige eeuw won zij bij de beroemde legwedstrijden in Bently en Stapleford alle prijzen.
De Kahki Campbell eend kenmerkt zich, in tegenstelling tot de loopeend,  zowel door een uitstekende eier- productie tevens door een goede bevleesdheid en winterhardheid. Zo werd het de eend waar alle eendenhouders al jaren naar op zoek waren. Zo ook de Nederlandse fokbedrijven en in het bijzonder dat van Aalt Jansen, hij zou er zelfs internationaal mee doorbreken. Door een strak fokbeleid, nauwgezette selectie en individuele huisvesting zorgde hij er voor dat de Kahki Campbell eend gemiddelden haalden van 250 tot 300 eieren per jaar!

Megabedrijven

Wel werd het een stuk saaier op de fokbedrijven, de veelkleurigheid verdween en werd de khaki kleur. Vanaf dat moment werd de Kahki Campbell eend als legeend dominant in ons land en verantwoordelijk voor de wederopstanding van onze eendenhouderijen rond de Zuiderzee, ja, ze werden zelfs toonaangevend in Europa, er ontstonden zelfs megabedrijven. Dit succes was ondermeer te danken aan de ligging aan de Zuiderzee, met zijn brak water en rijk aan voedsel.  De grote beschikbaarheid van goedkoop personeel , veelal afkomstig uit de visserijindustrie. De hogere eierproductie van legeenden ten opzichte van legkippen. In die tijd waren, door de vraag uit Engeland en Duitsland, de eierprijzen hoog. Maar vooral de goedkope en lange stallen, met aan weerszijde drankgoten, ook wel het “Dutch System” genoemd, werden wereldwijd beroemd als meest efficiënte en ideale huisvesting om legeenden te houden. De jaren na de Eerste Wereldoorlog werden zo de “gouden jaren” voor de Nederlandse eendenhouderijen.


Het voeren met “nest” op een fokbedrijf op de Veluwe           

“The Dutch System”

Neergang

Vanaf 1937 namen onze oosterburen, doordat de opbouw van de oorlogsindustrie het land financieel totaal had uitgeput bijna geen eendeneieren meer af. Alle eieren gingen in die tijd bijna volledig naar Engeland daar in ons eigen land de eieren tot overmaat van ramp moesten worden gestempeld met de vermelding dat ze minimaal 10 minuten moesten worden gekookt. Ook de toevoer van eendenvoer werd drastisch beperkt en moest worden vervangen door aanzienlijk duurder voeder. En ook de paratyfus stak de kop weer op. De neergang van de bedrijfstak was begonnen en kreeg met de inval van Duitsland in de zomer van 1940 de finale nekslag. De veestapel werd tot bijna een derde gereduceerd. Interessant was het te zien dat tijdens de bezetting door Duitsland de boerderijen weer eenden gingen houden en al snel bevolkten de Noord-Hollandse Witborsteend weer tientallen bedrijven, deze bijzondere “cultuur” eend bleek veel minder gevoelig voor die vermaledijde paratyfus!


Wat heet loopeenden ?

Na de bevrijding werden er uit Engeland weer volop Kahki Campbell eenden ingevoerd, maar dat bleek een grote misrekening want in Nederland bleek de paratyfus nog niet te zijn uitgeroeid.
Begin jaren zestig waren er nog zo’n 150 eendenhouderijen in Nederland.
Niet alleen in de omgeving van Harderwijk en Ermelo maar ook in de Achterhoek en Noord-Brabant.
Een nieuwe saneringsronde kondigde zich aan.
Het personeel werd onbetaalbaar en trok bij de bedrijven weg.
Zelfs de firma Jansen, die meer dan 50 jaar een belangrijke rol speelde, ging roemloos ten onder.
Na 1980 ziet men nieuwe ontwikkelingen ontstaan maar het blijft moeizaam binnen de bedrijfstak.
Vanwege zowel nieuwe milieueisen als verscherpte regelgeving moesten de eenden in toenemende mate binnen worden gehouden, wat enorme investeringen tot gevolg had voor de eendenhouder zodat vele de pijp aan Maarten gaven.


Er dienen zich nieuw eendenhouders aan, door een verbeterde bedrijfsvoering bij de slachterijen, door duidelijke kwaliteitsverbetering van het eindproduct en een optimalisatie bij de afzetcultuur hun hoofd boven water te houden, net als het onderstaande Kahki Campbell kuiken.
De eendenhouders zijn in twee groepen te verdelen: de akkerbouwers uit de polder, zij breiden hun bedrijf uit met een eendenschuur.
En pluimveehouders uit de Gelderse vallei die hun oude schuren ombouwen om er eenden in te kunnen houden.
Hiermee besluit ik dit artikel over een uniek erfgoed in Nederland, haar eendencultuur.
Ons volgend artikel zal over deze nieuwe bedrijfsmatige slachteendenbedrijven gaan.