Ganzenhouderijen in Nederland

Geschiedenis

Al duizenden jaren worden ganzen in gedomesticeerde vorm gehouden. Egyptische priesters werden door “opgestopte”ganzen in hun graven vergezeld. De Romeinen gebruikten ze als bewakers van het Capitool en tot op de dag van vandaag worden ganzen nog steeds ingezet bij de bewaking van ondermeer munitieopslag- plaatsen en wereldberoemde whiskydistilleerderijen in Schotland. In het verleden werden ze ook gebruikt om door middel van hun veren belasting mee te betalen. Het bedrijfskundig houden van ganzen kennen wij metname vanuit Frankrijk en Hongarije, de twee grootste exporteurs ter wereld van “foie gras”, de ganzenlever verkregen uit geforceerd vetgemeste ganzen.
Ook Nederland kent een rijke geschiedenis, de ganzenhandel begint in de 18e eeuw in de moerassige gebieden rond Enter in Twente. De handel en industrie van Enter beleefden hun bloeitijd toen de Regge nog een vaarwater van betekenis was en een verbinding vormde tussen Twente (met daarachter het Münsterland) en de rest van ons land. Het was in de periode 1780 tot 1850 dat de Enterse schippers met meer dan honderd zompen hout, steen, rogge, turf en vooral Twentse textielproducten naar Holland en de IJsselsteden vervoerden. De handel en industrie vormden een dankbare bron van bestaan voor vele Enternaren, die in de landbouw geen werk vonden. Met de landbouwgronden rondom Enter was het maar droevig gesteld en degenen die geen werk vonden in de klompenmakerij, scheepsbouw of binnenvaart, deden wat op de moerassige bodem nog wel mogelijk was: ganzen houden. Bij voldoende grasland, waarbij varkensvoer een onmisbare schakel was om de ganzen op gewicht te brengen gedijden de ganzen goed bij de boeren. Ik kan niet zeggen dat de ganzen bij onze boeren een prettig leven leiden. Voordat zij geslacht worden, worden de ganzen tweemaal levend geplukt, maximaal mocht dat viermaal per jaar gebeuren. Voor de rui en na de rui, men spreekt dan over zomer en winter veren.
Bij het slachten levert de gans 200 à 250 gram donsveer op.
Hieruit ontstond in latere jaren een enorme ganzenhandel die sommige Enterse families beslist geen windeieren legde. Deze leefde op rond 1850 toen de Engelse behoefte aan ganzen bij enkele Enterse boeren bekend werd. De Enterse boeren bouwden een monopoliepositie op in de Twentse ganzenhandel met concurrentie uit de omliggende buurtschappen werd snel afgerekend door tijdelijk boven de prijs te kopen en onder de prijs te verkopen. Een achttal grote boeren, die samen ongeveer vijftig opkopers in dienst hadden, trok heel Twente door om de ganzen te verzamelen. Ze werden bij duizenden tegelijk te voet naar Rotterdam gedreven, waar ze op de boot naar Engeland werden geladen.

Twente bakermat van Nederlandse ganzenhandel
Wat veroorzaakte nu dat binnen Twente, Enter en Goor een belangrijke rol hebben gespeeld in de ganzenteelt van 1850 tot aan de tweede Wereldoorlog. De verzelfstandiging van België heeft hier in 1830 in belangrijke mate aan bijgedragen. Om de weggevallen textielindustrie in de Zuidelijke Nederlanden zeker te stellen, wees Koning Willem I, Twente aan als basis voor de Nederlandse textielindustrie.
Het overvloedige water en de grote armoede zijn de eerste aanzet geweest voor de goedkope industriële productie van textiel. Met dit besluit begon de ontsluiting van Twente wat tot aan die tijd volgens reisverslagen nog in de Middeleeuwen leefde. Ter illustratie, de marken - een eeuwenoude vereniging van zelfstandige dorpsbewoners, stammend uit de Germaanse tijd, die de gemeenschappelijke eigendommen van dat dorp beheerden - bleven in Twente tot de 19e eeuw de lokale macht uitmaken. De aanleg van vaarwegen zorgden voor de ontwatering van het natte en moerassige Twente. De oorspronkelijke natte gronden staan ook bekend als broeklanden. In Twente verwijzen verschillende streek, plaats, straat- en familienamen naar deze situatie zoals Broekdijk, Marslanden, Broeklanden, Ganzenmarkt of Ganzenpan (een laagte in het land). Reukgras (Anthoxantum odoratum) dat veelvuldig in arme graslanden voorkomt heet in Twente ‘Ganzemiel’.
De spoorwegen aangelegd in 1880-1888 leverden zowel goedkoop veevoer als wagons om de ganzen in groten getale per spoor naar Rotterdam te vervoeren. Iets wat voor die tijd ook per voet gebeurde. Dankzij het goedkope importvoer konden ganzen nu op een bedrijfsmatige wijze worden gehouden en al gauw werden dieren niet langer uit de directe regio betrokken maar werden zelfs uit Pruisen en Litouwen aangevoerd. Na de komst van de spoorwegen werden Arnhem, Goor en Rijssen de laadplaatsen. Jaarlijks werden 30.000 tot 40.000 ganzen verhandeld en in het topjaar 1887 zelfs 60.000. Met het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog kwam er een einde aan de ganzenhandel doordat de handel op Engeland onmogelijk werd, waarna in Duitsland een nieuwe afzetmarkt wordt gevonden.

 Ganzenmarkt Gelselaar verwijst naar rijke historie

Ganzenhoeden hoort bij de historie van Gelselaar.
De stichting Erfgoed Gelselaar vertelt dat het dorp in de middeleeuwen bloeiende ganzenhouderijen telde.
Duizenden dieren graasden op de drassige weilanden langs de Schipbeek. Als ze vet genoeg waren, liepen ze naar de ganzenmarkten in bijvoorbeeld Goor of Deventer.
Soms werden ze ook op vlotten over het water vervoerd.

Twentse en Achterhoekse zomerfeesten hebben een hang
naar nostalgie.
De ganzenmarkt in Gelselaar vormt daarop geen uitzondering.
Lopend over klinkerstraatjes en langs monumenten, lijkt het alsof de nostalgie in Gelselaar nooit plaatsmaakte voor moderne tijden.
Fraaier kan het decor bijna niet zijn voor de witte ganzen die in spreek-woordelijke pas langsrommelmarkt, boekenverkoop en braderiekraampjes waggelen.
De naar hitte snakkende dieren worden door kinderen met lange stokken bij elkaar gehouden. In dat laatste zit ’m de kneep van de ganzenmarkt.
Kinderen uit het dorp, in dit geval vier meisjes, strijden tegen elkaar om de titel
Beste ganzenhoedster van Gelselaar.

Twentse landgans

Om het tij te keren tegen de sterk opkomende pluimveemesterijen besluit men om de Twentse landgans in te kruisen met zwaardere dieren, dit om tegemoet te komen aan de Duitse vraag naar een zwaardere gans.

Nederland kende in de 19e eeuw nog verschillende eigen ganzenrassen zoals de Groninger gans, Noord-Hollandse gans en Zuidenaar gans.
Deze lokale rassen zijn door inkruising met zwaardere buitenlandse rassen als de Emdener, Pommerse, Toulouse en de Afrikaanse knobbelgans kort na de Eerste Wereldoorlog verdwenen.
Aan dit lot is de Twentse Landgans ternauwernood ontkomen.
Men spreekt over Twentse landganzen, maar is dat wel zo?
De ganzen die werden gehouden waren een mengelmoes van witte en bonte ganzen.
De witte werden gefokt voor hun dons, de bonte voor de “bout”.

De witte en bonte kleurslag komt voor bij ganzen in alle Europese landen.
Dus in hoeverre de Twents landgans zich onderscheidt van andere bont getekende rassen, lijkt onwaarschijnlijk.
De ene is wat forser in type en bouw, de andere niet.
Bij de Twentse landgans spreekt men over een petje, het is niets anders dan een kuifaanzet, wat te wijten is aan genetische afwijking.

Huidige status van de bedrijfstak

De ganzenhouderij is maar een kleine tak in Nederland.
Ganzenhouderijen zijn vermeerderings- en broedei-
bedrijven, zgn. broederijen voor eendagskuikens, en
productiebedrijven voor vlees en dons.
De kuikens worden geproduceerd voor de Duitse (90%) en Franse (10%) markt.
De vlees- en donsproductie zijn voor de eigen markt, maar
van weinig betekenis.
De concurrentie in deze sector is groot,
vooral van de Oostbloklanden en van Frankrijk. In totaal zijn
er in Nederland zo'n 15 ganzenhouderijen.